Duurzame transformatie verkaveling – verslag

VERSLAG – Dinsdag 26 mei 2015 vond de tweede lezing in de reeks van Kamp C en AR-TUR: Duurzame Transformatie plaats. De avond had als thema de verkaveling. Lees hieronder het verslag.

Tekst: Kristien Vastenavondt

De derde lezingavond in de reeks Duurzame Transformatie focust op de verkaveling en de strategieën om onderbezetting en een verouderd patrimonium aan te pakken. Marijn van de Weijer van Universiteit Hasselt onderzocht dit fenomeen en Bram Aerts van TRANS vertelt over het masterplan voor Schorvoort, een project met 650 woningen in Turnhout.

Mogelijke ontwikkelingen ter discussie. Beeld: Marijn van de Weijer.

Mogelijke ontwikkelingen ter discussie. Beeld: Marijn van de Weijer.

Marijn van de Weijer, ArcK, Universiteit Hasselt
Marijn van de Weijer onderzocht van 2010 tot 2014 de typologie van de naoorlogse vrijstaande woning en de rol die ze kan spelen bij een gewijzigde woonvraag. Het onderzoek bestond uit een driedelig traject waarbij een geografische, architecturale en sociologische analyse is gemaakt.

Eerst de cijfers: 80% van de woningen in Vlaanderen zijn eengezinswoningen, waarvan 42% vrijstaand. Dat betekent dat 36% van het totale aantal woningen vrijstaand is. De gemiddelde woonoppervlakte in België ligt volgens een studie uit 2005 rond de 130 m2. Zowel het aandeel eengezinswoningen, het aandeel vrijstaande woningen als de gemiddelde woonoppervlakte zijn hoog in vergelijking met de rest van Europa.

Terwijl er heel wat verandert op de bouwmarkt en op demografisch vlak tegelijk een bevolkingsgroei en een gezinsverdunning plaatsvindt, blijft de bestaande woningvoorraad nog wel een tijd bestaan. Daardoor ontstaat een spanningsveld tussen die inerte woonomgeving en de gewijzigde woonvraag en randvoorwaarden waar ze een antwoord moet op bieden.

De laatste jaren is er dan ook veel aandacht voor ‘nieuwe’ woonvormen, zoals bijvoorbeeld woningdelen, groepswonen en kangoeroewonen, die de potenties van grote woningen proberen te benutten en de overmaat gebruiken als eerste stap in een transitieproces. Tegenover transitie bestaat immers vaak veel weerstand, dat door de onderzoekers is gedefinieerd als “het samenspel van maatschappelijke, ruimtelijke en technische weerstanden die transformatie bemoeilijken, ook als deze als wenselijk of noodzakelijk gezien wordt.”

Beeld: Marijn van de Weijer

Beeld: Marijn van de Weijer

Als case studies werden tien gemeenten met verschillende nederzettingspatronen onderzocht, gaande van grote verkavelingen over woonlinten tot woonparken, telkens met een dichtheid van minder dan vijftien woningen per hectare. De onderzoekers bestuurden hierbij drie mogelijke strategieën: een zachte ingreep binnen de kavel, grotere kaveloverschrijdende projecten, en verdichting bij kernen combineren met een uitdoofscenario voor versnipperde bebouwing. Met andere woorden: het bestaande patrimonium aanpassen, vervangen of verwijderen.

De bestaande woningvoorraad blijkt vaak functioneel erg begrensd te zijn, zowel op het niveau van de kavel als op het niveau van de woning zelf, en laat dus weinig ruimte voor aanpassingen. De verkavelingen, vaak met voorschriften die al dateren uit de jaren 60, worden op traditionele wijze verder volgebouwd omwille van sociale contacten, familiebezit of –geschiedenis, waardoor de dynamiek gering is en een aantal potenties onderbenut blijven.

Opdelen van woningen. Beeld: Marijn van de Weijer

Opdelen van woningen. Beeld: Marijn van de Weijer

Afhankelijk van de ruimtelijke context, de maatschappelijke randvoorwaarden en de woning zelf, zijn er toch een aantal transformatiestrategieën mogelijk. Zo creëren bewoners soms extra huisvesting onder hun eigen dak, als een soort ‘informele oplossing’ die toch binnen het juridisch kader past. Ook vervangende nieuwbouw kan tot verdichting leiden, als gekozen wordt voor twee-onder-een-kap, al moeten daarvoor soms de grenzen van de verkavelingsvoorschriften opgezocht worden. Een andere vorm is de zorgwoning, die onder bepaalde voorwaarden mag worden aangebouwd aan de eigen woning. Voor dit type blijkt echter enkel in regio’s met zeer hoge woningdruk interesse te zijn, zoals bijvoorbeeld in de Brusselse rand. Andere middelen om te breken met de status quo van verkavelen worden op gemeentelijk niveau toegepast. Een voorbeeld van een grotere schaal is er in Aartselaar, waar een woonreservegebied herbestemd wordt om een ingekapseld natuurgebied te beschermen.

Het blijkt vaak een evenwichtsoefening tussen dromen aan de ene kant en wetten en praktische bezwaren aan de andere kant, waardoor de ontwerppraktijk tegelijk de ruimtelijke weerbarstigheid bevestigt én bevraagt.

Masterplan voor Schorvoort. Beeld: TRANS.

Masterplan voor Schorvoort. Beeld: TRANS.

Bram Aerts, TRANS architectuur / stedenbouw
Het project Schorvoort in Turnhout vertrekt van een complex uitgangspunt. De wijk bestaat uit 896 private opdrachtgevers met een eigen woning, meestal vrijstaand, en een aantal enclaves voor sociaal wonen, met een gemeenschappelijke opdrachtgever. Deze vormen een vrij uniforme wijk met weinig differentiatie, waardoor bewoners vaak noodgedwongen de wijk verlaten als hun woning niet meer geschikt is voor hun gezinssituatie.

Het project van TRANS gaat uit van een collectief van grondbezitters: het stedenbouwkundig ontwerp én het begeleidende proces zijn zo opgemaakt dat het collectief niet uit elkaar gespeeld wordt. Net als in de politiek zijn voor stedelijke transformaties coalities nodig, waarbij de partners wel samenwerken maar elk ook zijn eigen belangen heeft: terwijl voor de private grootgrondbezitter het economische belang primeert, zet de stad zich in voor een ruimtelijke en stedenbouwkundige langetermijnvisie. Cruciaal voor het project zijn dus de collectiviteitswinsten en de activatie van het suburbane weefsel, een dubbele ambitie die iedereen aan boord van het project kan houden omdat iedereen er wel bij vaart. Die collectiviteitswinst kan heel breed opgevat worden, van waterbeheer over recuperatie tot projectefficiëntie: alles wat bijdraagt aan het welslagen van het project, wat het achterliggend belang ook is, is winst.

Impressie Schorvoort. Beeld: TRANS

Impressie Schorvoort. Beeld: TRANS

De grondcoalitie wordt gebruikt als procesinstrument, waardoor in de eerste plaats naar het collectieve in plaats van het singuliere belang wordt gekeken. Bij een grondcoalitie worden de eigendomsgrenzen tijdelijk ‘vergeten’ om een luwte te creëren waarbinnen nagedacht kan worden en ideeën kunnen ontstaan. De grenzen worden als het ware even ‘uitgevinkt’ om ze daarna weer ‘aan te vinken’, wat toelaat om uitspraken te doen over de volledige bandbreedte van de projectsite: zowel rond wonen, water en landschap als zachte infrastructuur moet een standpunt ingenomen worden.

Het ontwerp voor Schorvoort vertrekt van de kwaliteiten die intrinsiek aanwezig zijn op deze plek en creëert drie soorten van woonomgevingen: wonen aan het water, wonen rond een erf en wonen aan het veld. Om te vermijden dat bewoners die nood hebben aan zorg of een andere woontypologie de wijk moeten verlaten, wordt de beweging omgekeerd: de faciliteiten worden naar de wijk gebracht. Dat maakt een demografische transformatie mogelijk, en wordt nog extra ondersteund door maatregelen zoals een voorkooprecht voor bewoners van de wijk. Het project heeft dus een territoriale impact: enerzijds maakt het de demografische omslag mogelijk, anderzijds zorgt de ontsluiting van de zeer diepe tuinen voor bijkomende bouwgrond en dus verdichting van de site. Bovendien maakt het ook rotatie in de wijk mogelijk, een verhuisbeweging die de maatschappij voor sociaal wonen toelaat haar patrimonium te renoveren. Op die manier kan de transformatie als een golfbeweging door de wijk trekken.

Impressie Schorvoort. Beeld: TRANS

Impressie Schorvoort. Beeld: TRANS

Natuurlijk groen als collectieve ruimte roept herinneringen op aan projecten uit de jaren 60, waarbij met goeie ambities gestart werd maar die collectiviteit geen evidentie bleek, onder meer op het vlak van onderhoud. In dit specifieke project is er veel geïnvesteerd in de rol die het terrein moet spelen als waterbuffer, en wordt er ook een substantieel budget uitgetrokken voor aanleg en onderhoud. Om dit te bestendigen zijn verschillende scenario’s mogelijk, waarbij de verantwoordelijkheid wordt overgedragen aan de stad, de ontwikkelaar of het collectief, zoals bijvoorbeeld ook gebeurt voor het onderhoud van de gemeenschappelijke delen in de gebouwen.

Aanvullend op deze collectieve buitenruimtes zijn private buitenruimtes opgenomen in het plan, waarbij aandacht is voor privacy, maar die tegelijkertijd op een natuurlijke manier aansluiten op het collectieve en hiervoor zeker geen (visuele) belemmering vormen.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s